Bob van Campen

Maître d'hôtel

Bob van CampenHij woont midden in het warm kloppend hart van Amsterdam. Dertig jaar lang gingen zijn voetstappen naar 'Die Port van Cleve': Bob van Campen, een onverwoestbaar monument in de hoofdstedelijke horeca. In Die Port wordt nog steeds erwtensoep, hazenpeper, kapucijners en genummerde biefstukken verkocht. Daar heeft hij zich de laatste jaren - tijdens tal van directiewisselingen - sterk voor gemaakt. Gevoel voor cultureel erfgoed mag je dat noemen.

Toeval
Als zo velen die tot grote hoogte zijn gestegen in hun vakgebied is van Campen min of meer toevallig in de horeca verzeild geraakt. 'Na de Mulo wilde ik wat met m'n handen en met mensen doen,'vertelt Bob. 'Een oom van me dronk wel 'ns een glaasje met maître Sonneveld van het Victoriahotel en zo kwam ik met zestien jaar terecht bij maître Remmers in het Amstelhotel. Voor een Amsterdams jochie een hele eer. Bij de firma Huyer moest ik mijn rokkostuum met bijbehoren aanschaffen: fl 800,- een heel bedrag in die tijd. Met mijn mooie pak aan mocht ik de eerste twee maanden niets anders doen dan poetsen. Toen ik eindelijk voor het eerst het restaurant mocht betreden, waren de doperwten eerder binnen dan ik! Ik heb er een jaar gewerkt en heel veel geleerd.'

Vreemde dingen
'Daarna kwam ik in het Doelenhotel bij meneer Stark en Stekelenburg. Daar gebeurde vreemde dingen. Ik heb er leuk gewerkt, maar ben er niet leuk weggegaan. De directeur had losse handjes en trok mijn smoking kapot. Twee dagen later werkte ik in l'Europe bij Leo Reijs. Met de directeur, meneer van Gaalen, kon ik goed door de bocht. Op een avond speelde Gregor Serban en van Gaalen zat met zijn aanstaande aan de bar. Net op het moment dat Gregor ophield met spelen, riep ik: "Die boef zit zich daar te vermaken en wij staan op een droogje.' Van Gaalen stak zijn hoofd om de hoek en antwoordde: 'Als je dorst hebt, dan neem je maar.' Ik heb wel even peentjes gezweet. Vroeger konden zwart en wit niet met elkaar opschieten, maar ik heb daar nooit problemen mee gehad. In l'Europe kreeg ik van de chef zelfs een biertje, wanneer het diner door was.'

Hoge omes
'Tussendoor ben ik nog in militaire dienst geweest op de Generale Staf in Den Haag. Daar was ik de hofmeester van de generaals Le Fèvre de Montigny en Walbaken. Bij hen thuis bediende ik Prins Bernhard en Beatrix en hoge omes uit het leger. Prins Bernhard kwam altijd met een drankje binnen, zo voorkwam hij dat hij met iedereen handen moest schudden. Rond 1963 kwam ik terecht in het Victoriahotel, samen met Johnny Cats, Walter van Gelder en Koos Hugen.'

Over de rooie
'In die tijd was de Victoria Grillroom hèt restaurant in Amsterdam. Alles werd aan tafel geprepareerd. Toen er een keer een brandje was, zorgde ik dat het kistje met de overtip op een veilige plek plaats kwam. Het eerste wat maître Cats zei, toen hij binnenkwam: 'Waar is het tipgeld?' 'Ik weet het niet, gisteren heb ik het zelf opgeborgen, maar het staat er niet meer.' Hij ging helemaal over de rooie, tot ik hem vertelde dat ik als eerste had gezorgd dat ons tipgeld veilig was!
Op een keer zat er een dronken Deen met een pijp in z'n mond, te slapen. Hij werd telkens wakker en leverde dan commentaar waar andere gasten zich aan stoorden. Ik heb toen een ijsklontje op z'n pijp gelegd, waardoor die knapte. Hij zal zich waarschijnlijk nu nog afvragen, hoe het kwam dat zijn pijp brak! Ons vak is net een toneelstuk. Elke dag de Bühne op om op te treden. Dat is de uitdaging.'

Blauwe Parade
'Op mijn 28e werd ik tweede oberkelner bij 'Die Port van Cleve'. Ik moest leiding geven aan collegae die er dertig jaar of meer werkten. Het restaurant, de 'Blauwe Parade' was een trefpunt van journalisten, cabaretiers en zakenmensen. 's Avonds draaiden we met gemak 200 couverts. Ik heb daar de gouden tijden meegemaakt. René Froger heeft bij mij een maand of zeven rondgelopen in de bediening. En ook Youp van 't Hek. Na een avondje stappen, stond hij ' morgens vroeg met een grote sigaar in z'n mond klaar voor de ontbijtdienst. Op dat moment kwam mijnheer van Kapellen binnen. 'Dat kan niet in mijn zaak,' bulderde hij. 'Wie bent u dan wel? vroeg Youp. 'Ik ben de directeur!' 'Dan wordt het tijd dat u zich aan mij voorstelt. Ik ben Youp van 't Hek.'
In mijn afscheidsspeech heb ik gezegd dat ik twee huwelijken had; een met mijn vrouw en een met de zaak. Aan de zaak heb ik de meeste uren besteed.'
Klik op de foto voor een vergroting. Amstel Hotel
Amstel Hotel Amsterdam

Amstel Hotel Amsterdam

Doelen Hotel
Doelen Hotel Amsterdam

Doelen Hotel Amsterdam

Hotel de l'Europe
Hotel de l'Europe Amsterdam

Victoria Hotel
Victoria Hotel Amsterdam