FRANS JAGER

Oud Hoofd keuken van Licht en Kracht in Assen

In 1922 ziet Frans Jager het levenslicht in Nieuw Amsterdam. (Drenthe). Op zijn dertiende in 1935 heeft hij de acht klassen van de lagere school doorlopen. Zijn ouders laten hem de keus om verder te leren op de ULO, maar dat is zeker niet de eerste keus van Frans. Hij wil zijn handen gebruiken. Werk was er niet. Dus alles wat voorhanden is, is goed. Zo komt Frans als leerjongen in de bakkerij terecht. "Toen was er al een leerlingstelsel', herinnert hij zich. Hij verdient ťťn gulden in de week en de baas krijgt er twee als subsidie. Zeven dagen per week om zeven uur 's ochtends beginnen tot een uur of zes. Daarna vier avonden per week van zeven tot negen uur naar de avondschool.

De opleiding is niet op het vak gericht maar op algemene ontwikkeling. Het vak leer je in de praktijk. Frans Jager is de enige bakker. Voor de rest zitten er kleermakers, schoenmakers en timmerlui in de klas. Een keer in de week komt er een architect langs. Voor jongens uit de bouw is dat een nuttige besteding, maar voor Frans is dat minder interessant. Hij mag taarten tekenen. Ieder jaar moet er in Assen examen worden gedaan. Na drie jaar krijgt hij een diploma. Tot 1942 werkt hij in de bakkerij en gaat tegelijkertijd naar de bakkersopleiding in Emmen. Een opleiding die hij niet kan afmaken, omdat hij wordt opgeroepen om naar Duitsland te gaan. Frans is intussen twintig en het maakt hem weinig uit dat hij naar Duitsland moet. "Daar zijn ook goede bakkerijen". Zijn vader is het daar echter niet mee eens. En zo duikt Frans voor drie jaar onder. De eerste dagen zit hij op een zolderkamertje. Het eten wordt hem gebracht. "Daar was ik gauw op uitgekeken", weet hij.

Het huis van zijn zuster is het volgende onderdak. Na een korte tijd komt hij terecht in een bakkerij. Eerst in Daarle en later in Vroomshoop waar hij anderhalf jaar verblijft. Een paar weken later ziet de bakker dat Frans het wel alleen kon: "Ik het wel hezien. Je kunt wel alleen doen." De bakker heeft nu tijd om zich om zijn maalderij en winkel te bekommeren. En zo staat Frans elke morgen om drie uur op en steekt de oven aan. Eerst met 'stoempjes' turf en dan takkenbossen. Anderhalf uur later zijn die uitgebrand en gaan de resten in 'de doofpot'. Frans bakt er onder andere roggebrood. In het deeg gaat ongeveer 35% water in en dat overschot aan gewicht 'was voor de bakker'. Dat roggebrood ging allemaal naar het westen en er werd flink voor betaald. Frans: "Ik vond het wel leuk, maar kreeg er geen rooie cent voor!"

Er zijn vaak razzia's. Tijdens een van de keren dat Frans het brood rondvent, wordt hij aangehouden door de Landwacht. (= collaborateurs met de Duitsers) Frans dacht dat zijn laatste uurtje geslagen was. "Weet u ook hoe laat het is?" vragen ze. Frans zweet peentjes, maar blijft kalm en ontspringt de dans. Op het laatst van de oorlog werkt hij in Emmen en moet koeken bakken voor de Kerstpakketten van de Wehrmacht.

Wanneer de oorlog is afgelopen gaat hij als vrijwilliger voor drie jaar naar Nederlands IndiŽ. "Ik wilde niet in de keuken of bakkerij, daar had ik geen zin meer aan". Hij komt bij de troepen. Bij de eerste politionele actie raakt hij gewond aan beide benen. Zo komt hij toch weer in de keuken terecht. Dat bevalt zo goed dat hij wel wil blijven. "Indisch koken in de wadjang. Geen keuken, maar een afdakje met wat afgezaagde benzinevaten en onderin een gat. Vuur eronder en koken!"

Terug uit IndiŽ krijgt iedere soldaat driehonderd gulden. Het blijkt het niet zo gemakkelijk om een baan te krijgen, dus besluit Frans in militaire dienst te blijven. Hij wordt naar de koksopleiding in Eefde gestuurd. Nauwelijks aangekomen ziet hij de soldaten marcheren op het exercitie terrein. De schrik slaat hem om het hart. "Als dat mijn leven wordt, dan zie ik het niet meer zitten", denkt hij. Hij meldt zich bij de kapitein en vertelt dat hij ervan afziet. "Ik doe het niet. Als ik hier zo om me heen kijk, is dat niet mijn leven." "Wat een rare kerel ben jij!", antwoordt de kapitein. "Maar eerlijk gezegd, heb je gelijk. Ik verdien goed als kapitein maar ik vind er ook niets aan!"

Maar werk zit er voor Frans niet in. Hij gaat terug naar huis en meldt zich op het Arbeidsbureau en komt terecht in de bakkerij bij de CoŲperatie in Emmen. "Je moet wat", lacht hij. Om kwart over drie 's morgens zit hij op de fiets om vier uur te kunnen beginnen. Echt enthousiast is hij daar niet over. Tot zijn geluk kwam er een kennis langs die hem erop attendeert dat hij als gediplomeerd bakker zo bij de VSM (Verenigde Stoomvaart Maatschappij) terechtkan. Als 26-jarige monstert Frans aan op de Lievevrouwekerk, een vrachtschip met passagiers accommodatie. De eerste reis voert hem naar India en Pakistan. De kok - ook een Frans - komt van Krasnapolsky. Terwijl ze in de Rode Zee varen, snijdt kok Frans zich zo in de hand, dat verder werken onmogelijk is. En zo is bakker Frans aan de beurt om drieŽnhalve maand alleen in de keuken te staan. Terug in Rotterdam vindt de chef civiele dienst, dat hij de volgende reis wel mee kan als kok. Die reis voert hem naar de Perzische Golf. "Onvoorstelbaar heet", herinnert Frans zich. "De helft van de bemanning lag op kooi, vanwege de hitte". De dokter komt aan boord en adviseert om elke dag tien zouttabletten te eten. Daar knappen weer wat mensen van op.

Terug in Rotterdam krijgt Frans te horen dat hij de schoolbanken weer moet opzoeken, ŗ raison van Fl 2000, - een voor die tijd hoog bedrag. De VSM wilt dat voor hem betalen als hij voor twee jaar bijtekent. Maar Frans denkt daar anders over. Voordat de school begint, maakt hij nog drie kustreizen naar Hamburg. Daarbij smokkelt hij sigaretten en heeft zijn geld voor de opleiding snel bij elkaar. Vier maanden duikt hij in de boeken en maakt kennis met de theorie van de grootkeuken, hotelkeuken, slagerij, bakkerij, patisserie en proviand administratie. Bij de diploma uitreiking, komen eerst drie gezakte kandidaten aan bod, vervolgens alle anderen met uitzondering van Frans. Wat zou er aan de hand zijn? Hij blijkt de beste van de klas met een 9 voor proviand administratie.

Hij monstert weer aan op de Bloemfontein, een schuit met driehonderd passagiers en honderdvijftig bemanningsleden. De chef-kok bestiert een brigade die bestaat uit een rotisseur, een patissier, een broodbakker, een eerste kok, twee tweede koks, een aardappelkok, twee entremetiers en wat casseroliers. Bij elkaar zo'n vijftien man. In Kaapstad aangekomen vraagt de bakker - een keurig nette man -: "Ga je mee de wal op? Ik heb nog een aardig vrouwtje voor jou." Daar had Frans geen interesse in en bezoekt in zijn eentje de stad. Juist in die tijd zijn daar de van Riebeeckfeesten. Er is van alles te doen. Als hij zich kenbaar maakt als Nederlander mag hij overal gratis in.

Terug in Rotterdam kan hij hofmeester worden, maar Frans is zijn zeemansloopbaan zat en neemt zijn ontslag. Samen met zijn vrouw gaat hij naar Limburg. Een paar daagjes uitwaaien. Hij is er nog maar een dag of krijgt al een oproep voor hotel Nieland in Apeldoorn. Hij werkt er twee jaar van de vroege morgen tot de late avond. Dat is niet de toekomst die Frans voor ogen heeft. Het is 1953 als hij een advertentie leest voor een hoofd keuken in Psychiatrisch Centrum Licht en Kracht in Assen. Uit de 28 sollicitanten komt Frans als meest gelovige uit de bus! Maar de Fl 45 in de week die hem geboden wordt, ligt toch onder het loon dat Frans gewend is. Hij wil er Fl 20 bij. Na veel vijven en zessen komt het bestuur over de brug. En zo komt Frans op de plek waar hij dertig jaar met de pollepel zal zwaaien.

Er wordt gekookt voor 850 bewoners en 150 personeelsleden. Als kok staat hij er alleen voor. Twaalf meisjes verlenen hand- en spandiensten en het grote werk wordt door zestig bewoners verricht. Twintig daarvan houden zich bezig met aardappelschillen. Met de komst van de AWBZ verdwijnen de bewoners uit de keuken en wordt er personeel aangetrokken. Uiteindelijk staan er tweeŽntwintig man in de keuken. Het vlees wordt in het groot ingekocht en door een van de koks die het slagersvak onder de knie heeft geportioneerd. Langzaamaan worden de gamellen afgeschaft en komt er een lopende band en voor de diŽten een regethermiek systeem. Voor het personeel komt er een restaurant. Met een beetje weemoed denkt Frans terug aan al die jaren. Naar het zich laat aanzien gaat straks de keuken dicht en komen alle maaltijden uit de fabriek.