Gerard van Rhijn

Chef-kok

"O Lord keep my big mouth shut, until I know, what I'm talking about' "Die spreuk hing in de messroom," zegt Gerard van Rhijn lachend. We staan op de vide van zijn woning, waar hij zijn hobby - het bouwen van scheepjes in flessen - uitoefent. In tegenstelling tot die spreuk praat Gerard honderduit als hij beneden in de woonkamer begint te vertellen.

"Mijn grootvader had al een banketbakkerij in Leiden en mijn vader was machinist bij de koopvaardij." Die mix heeft er voor gezorgd dat Gerard kok werd op de Oranje. Natuurlijk nadat hij een gedegen opleiding achter de rug had. In 1936 werd hij vijftien jaar en startte zijn loopbaan in banketbakkerij Draaisma op de Ruyterweg in Amsterdam voor een daalder in de week. "Ik heb daar nog konfijten geleerd. Alles werd nog zelf bereid. Er kwam nauwelijks iets uit de fabriek. Daarna kwam ik bij van der Velde op de Overtoom als tweede bediende." In 1939 solliciteerde hij in de horeca bij de chefs van grote zaken zoals "l'Europe en American. "Ze vroeger allemaal; hoe lang heb je banketbakkerij gehad? Ik antwoordde: "Vier jaar, chef." "Kom dan maar terug, als je vijf jaar gehad hebt!"

Zo kwam ik begin 1940 in "De Kroon" op het Rembrandtsplein, een zaak waar veel joden en artiesten kwamen, net zo als aan de overkant bij "Schiller." Hard werken, zes dagen in de week. Maar ik ging ineens vijftien gulden verdienen. Een echte klapper. Bij de Kroon was de keuken aan de kant van het Rembrandttheater. De ouvreuses stonden buiten, als de film draaide:" He kok, heb je niet een kroketje?" riepen ze. Zo kwamen wij aan vrijkaartjes voor de film. Op een keer had ik 's avonds de wacht gehad en ging om half twee naar huis. De dames van lichte zeden liepen nog op het Rembrandtplein. Om vier uur stond mijn moeder aan mijn bed te roepen: "Gerard wakker worden. De oorlog is uitgebroken." Ik had er niets van gemerkt. Het was altijd rustig, nooit schieten of knokken. Nou ja, behalve met Pisuisse.

Door de oorlog was er niets meer te doen en werd ik ontslagen. Ik ben toen weer in de banketbakkerij terechtgekomen. In 1942 kwamen er een paar heren de winkel binnenlopen en vertelde me dat ik me de volgende dag moest melden op het Arbeidsbureau. Kort daarop werkte ik als kok in een plaatsje dicht bij Frankfurt am Main. Haus "Mutter Kraus" heette het bedrijf. Het was een gezellig bedrijf, waar 's woensdagmiddags de "partij" kwam kegelen. Maar ik wilde naar Frankfurt daar kwam je Hollandse jongens tegen als postbode of tramconducteur. Ik kwam in de B÷rsekeller terecht, een groot bedrijf met wel dertig man in de keuken en een joekel van een kolenkachel. Een Kupferputzer met een blinkend gepoetste koperen kar hield de acht vuren bij. Toen kwam Stalingrad en was het afgelopen. De koks stonden te janken omdat ze in dienst moesten. Overal werden de Duitse steden gebombardeerd. Ik wilde weg, want het werd bloedlink. Met de trein ging ik naar de Nederlandse grens en op een moment dat er geen controle was, ben ik meegegaan. De volgende dag werd Frankfurt gebombardeerd. Ik was net op tijd weg.

Twee dagen later was ik thuis en ging weer in de banketbakkerij werken. Om de ovens voor het brood te stoken haalden we de bielzen van de spoorlijn naar Amstelveen weg. Mijn ouders hadden vijf onderduikers in huis en ik kwam in een verzetsgroep terecht. Heldendaden hebben we echter niet verricht. Na de oorlog kwam ik in een Canadese banketbakkerij te werken. Op oudejaarsdag 1945 begon ik in SociŰteit Grote Club en ben er negen jaar gebleven. Alle groten der aarde kwamen daar; onder andere Eisenhower en Churchill. Daar heb ik ook mijn vrouw leren kennen, die daar als kamermeisje werkte.

Ik wilde meer gaan verdienen, maar dat zat er niet in. Dus ging ik als tournant varen op de Oranje het vlaggenschip van de Maatschappij Nederland met achthonderd passagiers. Van tournant werd ik entremetier, r˘tisseur, saucier en sous-chef en vervolgens chef-kok. De breakfast-koks begonnen om vijf uur en de rest een uur later. Twee en vijftig man werkten er; drie bakkers, drie slagers, vijf patissiers, zes entremetiers, twee poisonniers, drie r˘tisseurs, drie sauciers, vijf garde mangers en twaalf koksmaten. Er was een kok voor het scheepsvolk, een voor de Chinezen van de wasserij, en een voor de Javanen.

Eens was het in de buurt van AustraliŰ heel zwaar weer. De schuit lag te stampen en iedereen was zeeziek. Plotseling kwam er een golf van de zijkant en maakten we 44║ slagzij. Er waren tachtig gewonden en het hele kommaliewant (Wand waar de kopjes ophingen en het servies in werd opgeborgen.) was naar z'n grootje. De deeg- en de broodmachine waren van hun fundatie gevlogen. Twee dagen later waren we in Sidney, van waaruit we een cruise zouden maken. Alles stond weer nieuw op de kade. Ook hebben we eens achthonderd mijl moeten omvaren, vanwege de atoomproeven op Bikini. Dat was eng; een helle flits, die groen, blauw en rood werd en dat op honderden mijlen ervandaan. Ik werd overgeplaatst naar de Zuiderkruis. Tien jaar heb ik gevaren en toen de Zuiderkruis verkocht werd ging ik weer aan de wal werken. Ik had direct weer een baan bij de Grote Club. Later werd ik sous-chef In het Havenrestaurant. En na de Vijff Vlieghen bij de IndustriŰle Club met chef-kok Boshuizen. 'Toen hij daar werkte, was hij voor het eerst met de Kerstdagen thuis," vult zijn vrouw Truus aan. Bij het afscheid moet ik proeven van zijn zelf gekonfijte sinaasappel en kersen. Hij is zijn vak nog niet verleerd.